Dat Dylan LeBlanc zou uitgroeien tot een hele goede singer-songwriter stond al vast. Zijn vader James LeBlanc was een van de vaste sessiemuzikanten bij de bekende Muscle Shoals Studios, waar artiesten als The Staple Singers, Aretha Franklin, Etta James, Otis Redding en Wilson Pickett hun muziek opnamen. In diezelfde studio nam Dylan ook zijn doorbraakopnames op, doordrenkt van ingetogen en fraai gezongen sixties folk, soul, altcountry en West Coast pop.
LeBlanc debuteerde op negentienjarige leeftijd met een ijzersterk plaat. Niet lang daarna zonk hij echter weg in een duistere periode vol zelfhaat en drank, waaruit hij een glorieuze comeback maakte. Inmiddels heeft hij zich definitief geplaatst in het rijtje van meest getalenteerde liedjesschrijvers van zijn generatie.
Centraal in zijn meest recente werk staat de coyote, een dier waar LeBlanc zich, zoals hij zelf zegt, altijd in heeft herkend. Net als dat dier is hij iemand die zwerft en weet wanneer hij op zijn instinct moet vertrouwen, muzikaal en anderszins.